Dood hout wordt verorberd door velerlei organismen die zich in de loop der evolutie aan deze leefruimte aangepast hebben. Afhankelijk van de houtsoort en de stand van het vervalproces zijn ongeveer 600 soorten paddenstoelen en rond de 1350 keversoorten betrokken bij het volledig remineraliseren van het houtlichaam. Tussen paddenstoelen en insecten bestaan verschillende afhankelijkheidsrelaties. Insecten dragen paddenstoelsporen mee naar de houtoverschotten, terwijl de paddenstoelen voedingsbron en leefruimte voor de insecten kunnen zijn.

Dit leidt ertoe dat ieder dood-houttype (liggend of staand, stam- of kroonhout) met zijn eigen flora en fauna verbonden is. Er ontstaan leefgemeenschappen in de schors; in het hout; in de humus; in boomholten; en in bijzondere structuren zoals sapstromenmierennesten en brandplekken.

Ongeveer 1000 soorten paddenstoelen zijn afhankelijk van dood hout

Tussen de 1000 en 2000 soorten geleedpotigen zijn in noordwest Europa afhankelijk van dood hout.

Ongeveer 23 soorten mossen hebben een voorkeur voor dood hout.

Van de 1014 houtbewonende soorten in Nederland komen 240 soorten strikt of  bijvoorkeur op naaldhout voor en 739 soorten op loofhout.

Veel dieren en planten die op de hummus van doodde bladeren en dood hout aangewezen zijn staan op de rode lijst van met uitsterven bedreigde soorten.  Van de 295 houtbewonende soorten op de rode lijst is 10% uitgestorven, 11% ernstig bedreigd, 17% bedreigd, 46% gevoelig en 17% kwetsbaar

zoals mierenvliesvleugeligenvlinders en het grootste deel van onze duizend wespen– en bijensoorten

Dood hout zit vol met insecten, mossen, zwammen waarvan een grootdeel van uitsterven bedreigd. Dood hout zit vanonder de piramide daarboven insecten daarboven reptielen, kleine knaagdieren, vogels om te eindigen met roofdieren en roofvogels.

Vogels

De meeste vogels  leven oorspronkelijk in bossen of bosrijke omgevingen. De oude bossen hadden vroeger meer oude of dode bomen, in deze bomen werden nestholtes gemaakt door spechten. Na de spechten werden deze holtes gebruikt door andere vogels. Naargelang de holte groter werd, konden ook uilen of vleermuizen er gebruik van maken. Ook kwamen er natuurlijke holtes door het inrotten van takken of spleten. Op deze bomen leven een ganse reeks van insecten en andere organismen.

In de huidige bossen en landschappen komen deze bomen niet meer of minder voor. Meestal worden deze bomen omgezaagd…

Door het verdwijnen van deze natuurlijke holtes zijn veel holen broedende vogels en vleermuizen zeldzamer geworden.

Als men weet dat1 zwaluw wel 50.000 vliegen, muggen en andere insecten per week eet en

onze huis- en tuinvleermuis ongeveer   300 muggen en andere kleine insecten in één nacht eet, begrijpt men dat insecten kastjes geen vervanging kan zijn voor dood hout. deze bevat ong. een 20 tot 100 tal selectieve insecten daar tegenover bevat een dood rottende boom een paar duizenden in grootte variaties.

Idem  voor vogelkastjes: deze kunnen maar zeer beperkt de origineel nestplaatsen van vogels vervangen. Origineel  nestelden veel vogels in dode, zieke en beschadigde bomen, die nu direct worden verwerkt tot brandhout door bosbeheerders.

Het economische gebruik van de bossen in Vlaanderen is tegenwoordig de belangrijkste reden waarom groot volume dood hout zeldzaam is en daarmee de hoofdoorzaak voor gevaar dat de erop aangewezen soorten uitsterven. Onafhankelijk van de exploitatiewijze (volledige kap of plenterkap) worden de bomen geveld, ver voor ze hun biologische leeftijdsgrens bereiken en van ouderdom sterven. Daarmee vallen de voor een bos  typische ouderdoms- en vervalfasen compleet weg.

Nulbeheer

Nulbeheer, ook nietsdoenbeheer[1] of klapstoelbeheer[2] genoemd, is een vorm van natuurbeheer waarbij men “niets doet” en de spontane successie van de natuur haar beloop laat. Niets doen resulteert meestal in toenemende verbossing. In  de forêt de Fontainebleau is er deel waar Nulbeheer toegepast word.

Share This